NatuurijsZweden - Blog

NatuurijsZweden - Blog

57 maal ijs

IJspretPosted by Wichert van Engelen Sun, November 20, 2016 15:32
Eskimo's hebben de naam om heel veel woorden voor 'sneeuw' te hebben.
Maar de Nederlandse taal kan goed overweg met termen voor "ijs".
Ik heb er 57 bij elkaar gezet.


Aangeslagen ijs
- ijs met een dun, wit laagje aangevroren condens. Ietsje stroef schaatsend. Komt vooral voor op kunstijs.

Ankerijs - ijs dat in relatief ondiep water omhoog lijkt te komen drijven. Bij de bodem bevinden zich koude waterbellen. Deze zijn lichter dan water (van 4°) en stijgen op naar het oppervlakte.Daar spreidt een bel zich uit en vormt een ronde schijf als een pannenkoek. Deze pannenkoeken vriezen vervolgens aan elkaar. Hiermee kan een meer tamelijk plotseling dichtvriezen. Dit komt veel voor in het IIsselmeer, maar ook in de Oostzee.

Bellenijs / bubbelijs - ijs met veel luchtbellen

Bobbelijs - ijs met veel bobbeltjes (door de wind). Zie ook warmebenenijs

Bomijs - ijs dat niet ophet water rust, maar aan de walkant hangt. Melkwit tot gelig.

Boterijs - ijs met de kleur van boter. Veroorzaakt door ijzerdeeltjes in het water.

Buitenijs - ijs dat niet overkapt is. Vroeger alleen bedoeld voor kunstijs zonder overkapping. Tegenwoordig ook gebruikt voor natuurijs.

Donorijs - zie ijstransplantatie

Dooi-ijs - waterig (en zacht) ijs door de dooi.

Drijfijs - drijvend ijs dat in rivieren, meren of de zee door de stroming wordt meegenomen. Deze verplaatsing van het ijs heet ijsgang. Aaneengeklonterd drijfijs is een ijsschots. Grotere velden drijfijs heten pakijs.

Dubbelijs - Uit Zweden: een dunne laag ijs die drijft op dooiwater met daaronder een dikkere laag ijs. Als de bovenste laag ijs dik genoeg is, is dit meestal zeer glad en snel ijs. Als je echter met je schaats door de bovenste laag heen zakt, wordt je schaats direct geblokkeerd.

Dubbeltjesijs - zwart ijs met kleine ingevroren gasbelletjes (ter grootte van het oude dubbeltje).

Elfstedenijs - spreekt voor zich: 16 cm dik.

Fondantijs - wit, romig, zacht ijs met ingevroren sneeuw en lucht.

Gierijs - ijs waar het vocht van een mesthoop overheen is gelopen: vuil en meestal onbetrouwbaar.

Glad ijs - ijs met weinig bobbels. Ook wel: snel ijs.

Glij-ijs - goed glijdend ijs.

Grasijs - ijs op een ondergelopen weiland waar de grassprieten doorheen steken.

Grondijs - zie ankerijs.

Haarijs - dunne ijsdraden die uit nat en dood loofhout lijken te groeien. Ontstaat bij lichte vorst en hoge luchtvochtigheid. Vooral op hout van beuk, eiken, hazelaar en esdoorn. Niet op naaldbomenhout.

Hard ijs - afhankelijk van de temperatuur, de luchtvochtigheid en de sterkte van de zon, kan ijs harder of zachter aanvoelen onder de schaatsen. Hard ijs glijdt beter.

Heilig ijs - ijs van schatsbaan waar de grote / beroemde records zijn gereden.

Hol ijs - zie bomijs.

Kol - witte plek in het ijs, veroorzaakt door een grote luchtbel.

Kraakijs - krakend ijs. Het gezegde: 'kraakijs is geen breekijs' is net zo betrouwbaar als 'blaffende honden bijten niet.'

Kristalijs - Uit Zweden: zwart ijs met rechtopstaande ijskristallen erop vast gevroren.

Kruiend ijs / krui-ijs - ijsschotsen die door stroming of wind op elkaar worden geduwd. De vuurtoren van Marken zorgt jaarlijks voor fraaie foto's doordat het krui-ijs meters hoog tegen de toren wordt opgestuwd.

Kuipersijs - zie bomijs.

Kunstijs - al het ijs dat niet natuurlijk aangroeit. Is eigenlijk omgekeerd ijs, want de kou komt van koeling onder het ijs.

Kwalsterijs - wit, romig, zacht ijs.

Landijs - ijs op ondergelopen land. Vroeger met name in de uiterwaarden van de grote rivieren.

Lintijs - zie haarijs, maar dan in dunne stroken in plaats van haren.


Nattevoetenijs -ijs met een laagje dooiwater erop.

Natuurijs - Al het ijs dat op natuurlijke weg ontstaat. Voor veel schaatsers het enige echte ijs.

Oud ijs - als er na een dooiperiode opnieuw vorst is, kunnen er plakken oud ijs in het nieuw gevormde ijs zitten.

Paardenijs - dik genoeg voor paard en slee.

Pakijs - groot veld drijf-ijs, op elkaar geschoven ijsschollen.

Pannenkoekijs - Zie ankerijs.

Rul ijs - ijs waar rulle sneeuw op is vastgevroren.

Scheurijs - ijsvloer met (veel) scheuren.

Schotsenijs - ijs met ingevroren ijsschotsen. Ontstaan doordat er eerder mensen door het ijs zijn gezakt, of (vaker) doordat boten / ijsbrekers door het nog dunne ijs zijn gevaren.

Slopijs - schotsenijs ontstaan door een boot.

Sneeuwijs - ijs met aangekoekte sneeuw.

Snel ijs - goed glijdend ijs.

Sproei-ijs - ijs gemaakt door telkens een laagje water te sproeien (vaak op een sintelbaan of een betonnen ondergrond).

Stofijs - zie zandijs.

Stroef ijs - ijsvloer die stroef is. Meestal door stof, soms door sneeuw of aanslag.

Warmebenenijs - bobbeltjesijs (waar je door het voordurend spannen van je spieren, warme benen van krijgt).

Wasbordenijs - ijs met veel bobbeltjes (door de wind).

Waterijs - ijs met een laagje dooiwater erop.

Wedstrijdijs - kunstijs waarbij de ijsmeesters extra maatregelen hebben genomen om er snel ijs van te maken.

Werkend ijs - ijs dat door de dooi begint te kraken en scheuren.

Werkijs - stroef ijs waarbij je veel kracht moet zetten.

Zandijs - ijs waar een laagje zand overheen gewaaid is. Schaatst extreem stroef. In uitzonderlijke situaties wordt zand bewust op delen van het ijs gestrooid om dat gebied vrij te houden van schaatsers (in kwetsbare natuurgebieden bijvoorbeeld).

Zomerijs - een enkele overdekte kunstijsbaan is ook in de zomer geopend. Ook wel: water.

Zwart ijs - het mooiste ijs om op te schaatsen. Niet echt zwart, maar doorzichtig, zonder bellen of sneeuw.