NatuurijsZweden - Blog

NatuurijsZweden - Blog

Ruim 80 ijs-termen voor schaatsers

IJspretPosted by Wichert van Engelen Wed, November 30, 2016 13:53

De Dikke Van Dale benoemt bijna 150 ijstermen. Niet allemaal over natuurijs, veel over ijsco’s (een afkorting van één van de eerste Ola’s van deze wereld: de IJscompagnie uit 1926). En soms met een dubbele betekenis: een ijsblokje kun je zowel in je Martini (volgens Van Dale) als op de ijsvloer aantreffen. Een grotere versie, het ijsblok, wordt gebruikt voor ijstransplantaties (en dat staat - vreemd genoeg - dan weer níet in de Van Dale).

Ruim 80 ijstermen die een schaatser paraat moet hebben:

IJs-afzetting of IJs-aanzetting- vorming van een ijslaag op (meestal metalen) voorwerpen. Ook gebruikt om de eerste ijsgroei aan te duiden.

IJsbaan - ijs dat sneeuwvrij wordt gehouden om op te schaatsen, of een stuk land dat men onder een dunne laag water zet om bij vorst op te schaatsen, of een kunstijsbaan

IJsbaard - baard met ijsvorming (komt in Zweden vaker voor dan in Nederland)

IJsbal - samengedrukte, harde sneeuwbal

IJsballet - op schaatsen uitgevoerde dans

IJsbank - richel krui-ijs die de scheepvaart belemmert

IJsbar – om na het schaatsen een drankje te halen; volledig van ijs gemaakte bar. Ook door een groep Nederlandse ijszeilers gemaakte bar op het meer Runn

IJsbeeld – sculptuur gemaakt van ijsblokken. In Scandinavië een ware kunstvorm

Ijsberen – rusteloos rondlopen. Vooral bij schaatsers die wachten op de verlossende 11-steden aankondiging

IJsbericht - (radio)bericht over de toestand van het ijs. Meestal mbt rivieren ten behoeve van de scheepvaart

IJsbestrijder – klinkt voor schaatsers erger dan het is: iemand die ijsafzetting op vliegtuigvleugels voorkomt of verwijdert

IJsbijl - lange bijl om het ijs te breken

IJsbloem - kristalvorming op gladde oppervlakten (meestal ruiten)

IJsblokje – zie de inleiding van deze blog

IJsboei - rivierboei bij ijsgang

IJsbond - vereniging van ijsbaanclubs

IJsboot – boot op ijzers om mee te ijszeilen. Al verschillende malen zijn Nederlandse ijszeilers naar Runn gekomen om te zeilen.

IJsbreker - schip om ijsvloer te breken

IJsbrug - houten vlonder om van de kant op het ijs te komen

IJsclausule - onderdeel van een contract met bijzondere bepalingen voor het geval er ijs ligt (met name voor de binnenvaart, maar ik hanteer het ook in januari en februari om vergaderingen direct te kunnen annuleren als er ijs ligt ;-)

IJsclub - vereniging die een ijsbaan onderhoudt

IJsdag - dag dat de temperatuur niet boven nul komt

IJsdikte – geen uitleg nodig. Hier gaat het vaak om

IJsdraagkracht- de draagkracht van ijs: 4 à 5 cm kan een mens dragen, ijs van 9 cm een paard, 14 cm een beladen wagen en ijs van 15 tot 20 cm kan een kanon dragen. Voor een grote mensenmenigte gaat men uit van 25 cm. 45 cm zou een spoortrein moeten kunnen houden.

IJsduiken – duiksport onder het ijs. Voor elfstedenrijders spreekwoordelijk tamelijk normaal: je schaatst door, desnoods onder het ijs.

IJsduivel – jongen die altijd op het ijs is te vinden. Niks bijzonders dus!

IJsfiets – bakfiets waarmee ijsco’s worden uitgevent, fiets met een schaats in plaats van het voorwiel. Regelmatig op Runn aangetroffen

IJsgala – galavoorstelling met schaatsers die optreden

IJsgang - verplaatsing van drijfijs door stroming

IJsgeld – Vergoeding voor schippers als ze door ijsgang niet kunnen varen

IJsgezicht - schilderij met afbeelding van ijsvermaak

IJsgroei – (tempo van) het dikker worden van het ijs

IJshaak - stok met haak om ijsschotsen uit het water te halen

IJshal – Overdekte ijsbaan, alle kunstijsbanen in Nederland, behalve de Jaap Eden baan in Amsterdam

IJshamer - lange hamer om het ijs te breken

IJshanden - erg koude handen

IJshotel – hotel dat geheel van ijs is gemaakt (tot en met de bedden toe). Met name in Lapland geschikte combinatie met schaatsvakanties

IJshockey – Hockey met schaatsen op het ijs. In Zweden speelt men Bandy (een minder harde vorm van ijshockey)

IJshut - iglo

IJskaar – het over el­kaar schui­ven en zich op­een­sta­pe­len van ijs­schot­sen (bij het kruien)

IJskegel – kegel die ontstaat door snel bevriezende dooidruppeltjes. Regelmatig aan de randen van het ijs te zien (in Zweden vooral in de maand maart)

IJskelder - voorloper van de ijskast: kelder waarin ijs werd bewaard. In het schaatsijs werden wakken gehakt om het ijs vervolgens in een kelder op te slaan

IJskiten – kiten op schaatsen

IJskoning(in) - schaatskampioen

IJskorst - laag ijs

IJskrap – ijzers onder schoen om over het ijs te kunnen lopen. In Zweden overal verkrijgbaar.

IJskristal - een helder en regelmatig gevormd deeltje van ijs

IJslaag – schaatsers noemen dit ‘het ijs‘

IJsmachine – oorspronkelijk de machine om kunstijs te maken, tegenwoordig meestal keukengereedschap om consumptieijs te maken

IJsmeester – de man of vrouw die verantwoordelijk is voor de ijslaag (op kunstijsbanen) of het ijs keurt (natuurijs)

IJsmuts – noodzakelijk attribuut bij het schaatsen in Zweden, tegenwoordig soms ook voorzien van valbescherming

IJspegel – zie ijskegel

IJspiste – meestal een skipiste waar de sneeuw in ijs is veranderd, ook een benaming voor de ijsbaan

IJspret – geen uitleg nodig

IJspriem – zowel dodelijk attribuut uit Basic Instinct als levensreddend gereedschap voor tijdens het schaatsen

IJsprinses – zie ijskoningin

IJsschaaf - voertuig om oneffenheden van de ijsvloer af te schrapen.

IJsschol - ander woord voor (grote) ijsschots

IJsschots - stuk drijvend ijs

IJsslijpsel – ijspoeder dat van het ijs wordt geschaafd door de (remmende) schaats

IJsspeedway – motorsport op ijs, eens per jaar op Runn

IJsspleet – diepe scheur in het ijs. Op Zweedse meren vooral aan het einde van het seizoen (tweede helft maart)

IJssport – verzamelnaam

IJssurfen – surfen op schaatsen

IJstap – zie ijskegel

IJstempel – bekende schaatshal

IJstocht – toertocht op natuurijs

IJstoestand – hoe staat het ervoor met het ijs (om te schaatsen ;-)

IJstransplantatie - Plaatsen van grote ijsblokken in een wak om de vorming van een ijsvloer te bespoedigen. Onder grote media-aandacht verschillende keren uitgevoerd door de brandweer in een poging een Elfstedentocht mogelijk te maken.

IJsveld - zie pakijs

IJsvermaak – ijspret

IJsversneller – stof die aan water wordt toegevoegd om de ijsvorming te versnellen, voor natuurijs (noG0 niet toepasbaar

IJsvloer - laag ijs dik genoeg om over heen te gaan

IJsvoet – rand ijs die aan de kust vast zit en niet met eb en vloed mee­be­weegt (in Zweden wordt elk jaar op zout zeewater geschaatst)

IJsvrij - Vrij van school of werk omdat er voldoende ijs ligt om te schaatsen (ook de toestand van een haven waarin zich geen ijs bevindt)

IJsvulkaan – vulkaan van ijs (alleen op andere planeten). In Zweden ook gebruikt voor ijs dat rond een grote steen omhoog komt (doordat het waterpeil onder het ijs zakt)

IJswandelen – rustige wintersport

IJswedstrijd – wedstrijd in één van de ijsporten, veel in de Runn Winter Week

IJswegen - vaarwegen die door ijsclubs schaatsbaar worden gehouden (geveegd en van pijlen voorzien)

IJswinter – periode van 14 dagen waarin de temperatuur niet boven 0 graden komt

IJswegencentrale - vereniging van ijsclubs

IJszaag – gebruikt bij ijstransplantaties (en vroeger voor het zagen van ijs voor in de ijskelder)

IJszee – bevroren zee. In Nederland erg zeldzaam, in Zweden elk jaar

IJszeilen – zeilen op boten met schaatsen. Elk jaar gaan Nederlandse ijszeilers (o.a. uit Monnickendam) naar Runn

IJszuil - zuil van ijs. Als water met een stevig omsloten rand bevriest, vorst zich eerst een bovenlaag ijs. Water dat bevriest zet circa 10% uit. Als de bovenlaag bevroren is en het ijs aan de randen niet loslaat, zoekt het bevriezende water een uitweg door het dunste deel van de ijslaag (meestal ergens in het midden). Dit omhoog wellende water kan in de vorm van een zuil bevriezen.Dit effect treedt meestal op in emmers, pannetjes of kleine vijvers, maar ook (in miniatuurvorm) in vochtige, poreuze grond of op poreus gesteente.

Kistwerk - Bij werkend ijs kan een ijslaag over een andere ijslaag heen schuiven. Hierbij ontstaat een watergeul en kunnen ijsschotsen recht overeind komen te staan (en weer vastvriezen). Kistwerk op een schaatsroute levert regelmatig gebroken enkels op.

57 maal ijs

IJspretPosted by Wichert van Engelen Sun, November 20, 2016 15:32
Eskimo's hebben de naam om heel veel woorden voor 'sneeuw' te hebben.
Maar de Nederlandse taal kan goed overweg met termen voor "ijs".
Ik heb er 57 bij elkaar gezet.


Aangeslagen ijs
- ijs met een dun, wit laagje aangevroren condens. Ietsje stroef schaatsend. Komt vooral voor op kunstijs.

Ankerijs - ijs dat in relatief ondiep water omhoog lijkt te komen drijven. Bij de bodem bevinden zich koude waterbellen. Deze zijn lichter dan water (van 4°) en stijgen op naar het oppervlakte.Daar spreidt een bel zich uit en vormt een ronde schijf als een pannenkoek. Deze pannenkoeken vriezen vervolgens aan elkaar. Hiermee kan een meer tamelijk plotseling dichtvriezen. Dit komt veel voor in het IIsselmeer, maar ook in de Oostzee.

Bellenijs / bubbelijs - ijs met veel luchtbellen

Bobbelijs - ijs met veel bobbeltjes (door de wind). Zie ook warmebenenijs

Bomijs - ijs dat niet ophet water rust, maar aan de walkant hangt. Melkwit tot gelig.

Boterijs - ijs met de kleur van boter. Veroorzaakt door ijzerdeeltjes in het water.

Buitenijs - ijs dat niet overkapt is. Vroeger alleen bedoeld voor kunstijs zonder overkapping. Tegenwoordig ook gebruikt voor natuurijs.

Donorijs - zie ijstransplantatie

Dooi-ijs - waterig (en zacht) ijs door de dooi.

Drijfijs - drijvend ijs dat in rivieren, meren of de zee door de stroming wordt meegenomen. Deze verplaatsing van het ijs heet ijsgang. Aaneengeklonterd drijfijs is een ijsschots. Grotere velden drijfijs heten pakijs.

Dubbelijs - Uit Zweden: een dunne laag ijs die drijft op dooiwater met daaronder een dikkere laag ijs. Als de bovenste laag ijs dik genoeg is, is dit meestal zeer glad en snel ijs. Als je echter met je schaats door de bovenste laag heen zakt, wordt je schaats direct geblokkeerd.

Dubbeltjesijs - zwart ijs met kleine ingevroren gasbelletjes (ter grootte van het oude dubbeltje).

Elfstedenijs - spreekt voor zich: 16 cm dik.

Fondantijs - wit, romig, zacht ijs met ingevroren sneeuw en lucht.

Gierijs - ijs waar het vocht van een mesthoop overheen is gelopen: vuil en meestal onbetrouwbaar.

Glad ijs - ijs met weinig bobbels. Ook wel: snel ijs.

Glij-ijs - goed glijdend ijs.

Grasijs - ijs op een ondergelopen weiland waar de grassprieten doorheen steken.

Grondijs - zie ankerijs.

Haarijs - dunne ijsdraden die uit nat en dood loofhout lijken te groeien. Ontstaat bij lichte vorst en hoge luchtvochtigheid. Vooral op hout van beuk, eiken, hazelaar en esdoorn. Niet op naaldbomenhout.

Hard ijs - afhankelijk van de temperatuur, de luchtvochtigheid en de sterkte van de zon, kan ijs harder of zachter aanvoelen onder de schaatsen. Hard ijs glijdt beter.

Heilig ijs - ijs van schatsbaan waar de grote / beroemde records zijn gereden.

Hol ijs - zie bomijs.

Kol - witte plek in het ijs, veroorzaakt door een grote luchtbel.

Kraakijs - krakend ijs. Het gezegde: 'kraakijs is geen breekijs' is net zo betrouwbaar als 'blaffende honden bijten niet.'

Kristalijs - Uit Zweden: zwart ijs met rechtopstaande ijskristallen erop vast gevroren.

Kruiend ijs / krui-ijs - ijsschotsen die door stroming of wind op elkaar worden geduwd. De vuurtoren van Marken zorgt jaarlijks voor fraaie foto's doordat het krui-ijs meters hoog tegen de toren wordt opgestuwd.

Kuipersijs - zie bomijs.

Kunstijs - al het ijs dat niet natuurlijk aangroeit. Is eigenlijk omgekeerd ijs, want de kou komt van koeling onder het ijs.

Kwalsterijs - wit, romig, zacht ijs.

Landijs - ijs op ondergelopen land. Vroeger met name in de uiterwaarden van de grote rivieren.

Lintijs - zie haarijs, maar dan in dunne stroken in plaats van haren.


Nattevoetenijs -ijs met een laagje dooiwater erop.

Natuurijs - Al het ijs dat op natuurlijke weg ontstaat. Voor veel schaatsers het enige echte ijs.

Oud ijs - als er na een dooiperiode opnieuw vorst is, kunnen er plakken oud ijs in het nieuw gevormde ijs zitten.

Paardenijs - dik genoeg voor paard en slee.

Pakijs - groot veld drijf-ijs, op elkaar geschoven ijsschollen.

Pannenkoekijs - Zie ankerijs.

Rul ijs - ijs waar rulle sneeuw op is vastgevroren.

Scheurijs - ijsvloer met (veel) scheuren.

Schotsenijs - ijs met ingevroren ijsschotsen. Ontstaan doordat er eerder mensen door het ijs zijn gezakt, of (vaker) doordat boten / ijsbrekers door het nog dunne ijs zijn gevaren.

Slopijs - schotsenijs ontstaan door een boot.

Sneeuwijs - ijs met aangekoekte sneeuw.

Snel ijs - goed glijdend ijs.

Sproei-ijs - ijs gemaakt door telkens een laagje water te sproeien (vaak op een sintelbaan of een betonnen ondergrond).

Stofijs - zie zandijs.

Stroef ijs - ijsvloer die stroef is. Meestal door stof, soms door sneeuw of aanslag.

Warmebenenijs - bobbeltjesijs (waar je door het voordurend spannen van je spieren, warme benen van krijgt).

Wasbordenijs - ijs met veel bobbeltjes (door de wind).

Waterijs - ijs met een laagje dooiwater erop.

Wedstrijdijs - kunstijs waarbij de ijsmeesters extra maatregelen hebben genomen om er snel ijs van te maken.

Werkend ijs - ijs dat door de dooi begint te kraken en scheuren.

Werkijs - stroef ijs waarbij je veel kracht moet zetten.

Zandijs - ijs waar een laagje zand overheen gewaaid is. Schaatst extreem stroef. In uitzonderlijke situaties wordt zand bewust op delen van het ijs gestrooid om dat gebied vrij te houden van schaatsers (in kwetsbare natuurgebieden bijvoorbeeld).

Zomerijs - een enkele overdekte kunstijsbaan is ook in de zomer geopend. Ook wel: water.

Zwart ijs - het mooiste ijs om op te schaatsen. Niet echt zwart, maar doorzichtig, zonder bellen of sneeuw.